Vrijgestelde beleggingsinstelling voor particulier gebruik

Beleggingsfondsenparticulieren

In Nederland zijn er twee verschillende fiscale regimes voor beleggingsinstellingen. De zogenaamde Fiscale Beleggingsinstelling (FBI) en de Vrijgestelde Beleggingsinstelling (VBI). De FBI is de oudste van de twee fiscale regimes en is zo oud als de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. Hierbij is sprake van een tegen 0% belast lichaam, in tegenstelling tot de VBI waarbij er sprake is van een vrijstelling van vennootschapsbelasting (VPB). De VBI is geintroduceerd in 2007 en is behalve vrijgesteld van VPB ook vrijgesteld van dividendbelasting. De meest in het oog springende voordelen van de VBI ten opzichte van de FBI is het ontbreken van een zogenaamde 'uitdelingsplicht' en van bepaalde financieringseisen.

VBI voor particulier gebruik

Een particulier heeft de optie om zijn beleggingen in zgn. Financiele instrumenten onder te brengen in zijn 'eigen' VBI. Dit kan mogelijk gunstig zijn ten opzichte van bijvoorbeeld een situatie waarin u belegt via een aparte B.V. die wordt beheert door bijvoorbeeld een aparte vermogensbeheerder of uw bank die optreed als beheerder. U betaalt dan geen vennootschapsbelasting en resteert slechts belasting in box II. Er zijn wel een aantal voorwaarden verbonden aan de VBI, de belangrijkste zal ik hieronder verkort aanstippen.

Regulering: Het regime staat alleen open voor zgn. Beleggingsinstellingen (zoals bedoeld in de Wet Financieel Toezicht - WFT). Deze vallen uiteen in Alternatieve Beleggingsinstellingen (ABI) en zgn. ICBE's. In het geval van een particulier zal altijd sprake zijn van een ABI.

Rechtsvorm: Het regime staat alleen open voor een N.V., open fonds voor gemene rekening of een vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm (mits het belastingverdrag tussen het betreffende land en Nederland aan bepaalde eisen voldoet).

Beleggingen: Zoals gezegd mag alleen belegd worden in zgn. 'financiele instrumenten'. Effecten verhandeld op gereguleerde markten zullen hieraan voldoen maar ook banktegoeden. Daarbij moeten deze instrumenten belegd worden met toepassing van het beginsel van risicospreiding.

Open-eind karakter: De deelnemers in het lichaam moeten hun participaties ook kunnen verkopen aan het lichaam zelf. Deze mogelijkheid moet op zijn minst op bepaalde periodiek vastgestelde momenten toegankelijk zijn.

Meerdere aandeelhouders: Er mag niet slechts een deelnemer zijn in het lichaam. In de praktijk blijkt dat met twee deelnemers al aan de eis wordt voldaan en dat het geaccepteerd wordt als tot maximaal 90% van de deelgerechtigdheid in het lichaam bij een persoon ligt. De overige 10% mag daarbij ook nog in het bezit zijn van familieleden, denk aan meerderejarige kinderen of een echtegeno(o)t(e) waarmee buiten gemeenschap van goederen getrouwd is.

Indien aan de bovenstaande eisen voldaan kan worden en de extra lasten van de vereiste rechtsvorm, de eis met betrekking tot meerdere aandeelhouders e.d. mogelijk denkt te kunnen overbruggen nodigen wij u uit om contact op te nemen met FSI Fiscal. Wij kunnen met uw bank coordineren en uitzoeken of deze constructie gunstig is voor u. Wij houden hierbij ook rekening met andere nadelige gevolgen, zo kunt u bijvoorbeeld geen bronbelasting recupereren op dividenden en rente uit het buitenland.