Buitenlandse ontvangers van Nederlands dividend betaalden te veel dividendbelasting

Hof van Justitie van de Europese Unie

Op 17 september 2015 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) een aantal vragen van Nederlandse rechters beantwoord. De vragen hadden betrekking op situaties waarin niet-Nederlandse ontvangers van dividend stelden dat ze anders werden behandeld dan Nederlanders. Deze zgn. prejudiciele vragen gingen over verschillende zaken die bij de Nederlandse rechters lagen en hadden betrekking op zowel niet-ingezeten natuurlijke personen als niet-ingezeten vennootschappen.

De verschillende behandeling kan inhouden dat er sprake is van discriminatie of sympathieker gesteld, dat er sprake is van een belemmering voor het vrije kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 lid 2 Verdrag voor de werking van de Europese Unie (VWEU). Om deze vraag te kunnen beantwoorden heeft de Europese rechter gekeken of:

Er sprake is van het bestaan van een belemmering voor het vrije kapitaalverkeer.
​Welke factoren moeten in aanmerking worden genomen om de belastingdruk voor ingezeten belastingplichtige natuurlijke personen te vergelijken met die voor niet-ingezeten belastingplichtige natuurlijke personen.
Welke factoren moeten in aanmerking worden genomen om de belastingdruk voor ingezeten vennootschappen te vergelijken met die voor niet-ingezeten vennootschappen.
Er sprake is van een rechtvaardiging voor de beperking van het vrije kapitaalverkeer uit hoofde van artikel 65 VWEU.
De eventuele verschillende behandeling van ingezetenen en niet-ingezetenen voortvloeid uit het niet-vergelijkbaar zijn van de situaties.
De eventuele verschillende behandeling van ingezetenen en niet-ingezetenen rechtvaardigd kan worden door de toepassing van een verdrag ter vermijding van dubbele belasting.
Ik wil niet uitgebreid op alle punten ingaan maar hier slechts de in mijn ogen belangrijkste conclusies kort aanhalen en bespreken. In de uitspraak worden vragen beantwoord over Belgische en Franse ontvangers van dividend uit Nederland.

De zaken C-10/14 en C-14/14 gaan over in Belgie gevestigde natuurlijke personen. Voor niet-Nederlanders is de Nederlandse dividendbelasting meestal een eindheffing. Nederlandse ontvangers van dividend kunnen daarentegen de dividendbelasting verrekenen met de inkomstenbelasting die ze in Nederland verschuldigd zijn. Voor Nederlanders is dividendbelasting dus een voorheffing. Bij de beoordeling van een eventuele ongelijke behandeling moet de Nederlandse inkomstenbelasting worden betrokken in de vergelijking. Niet-Nederlandse inwoners (welk paspoort je hebt is hier van ondergeschikt belang) die uiteindelijk in hun eigen land bijvoorbeeld niet een verrekening kunnen krijgen van de Nederlandse dividendbelasting hebben een potentiele claim om belasting in Nederland terug te vragen. Dit gaat zover dat niet-Nederlanders die in hun eigen land bijv. geen heffingsvrij vermogen hebben en hierdoor uiteindelijk meer belasting betalen hier potentieel nadeel ondervinden dat de Nederlandse belastingheffing moet compenseren. Ook moeten niet-Nederlanders die beleggen met vreemd vermogen dezelfde mogelijkheden hebben als vergelijkbare Nederlandse beleggers. Deze uitspraak kan ook gevolgen hebben voor niet-Nederlandse individuen die vastgoed bezitten in Nederland en in box 3 belasting betalen.

Link naar de uitspraak op de website van het Hof van Justitie van de Europese Unie (http://curia.europa.eu)